
nr. 73, 13-9-2025
‘Spreken is alleen zinvol als het de schoonheid van de stilte overtreft.’*
In alle rust liep ik door het bos. De stilte werd gedragen door het gefluit van allerlei vogels en het geroffel van een specht.
Mijn tegenliggers waren een tienermeid en haar vader. De dochter liep houterig, maar dat weerhield haar er niet van om nieuwsgierig rond te kijken en her en der wat op te rapen. Toen ze me passeerde, sprak ze me aan: ‘Kijk eens wat ik heb gevonden!’
Ze liet me een eksterveer, een dennenappel en een stukje schors zien. Ik bekeek haar schatten en complimenteerde haar met haar vondsten.
Daarna begon haar spraakwaterval. Ze vertelde over wandelen met papa, een vrije dag van de dagbesteding, haar hartsvriendin en het tv-programma Boswachter gezocht. Ik luisterde en zag de vader liefdevol naar zijn dochter kijken.
Al kletsend zag ze ineens een vliegenzwam en ze bukte, zo goed als ze kon, om hem beter te bekijken. ‘Mooi hè, rood met witte stippen,’ verzuchtte ze.
Haar vader en ik beaamden dat glimlachend.
Ze vervolgde: ‘Ik denk dat er kabouters in de buurt zijn. Maar dan moeten papa en jij wel stil zijn, want kabouters zijn erg verlegen.’
Met moeite onderdrukte ik een schaterlach; haar vader keek me veelbetekenend aan.
Ze tuurde nog eens naar de paddenstoel, op zoek naar de verlegen kabouters die zich inderdaad niet lieten zien.
‘Zo, nu loop ik weer door,’ zei ze. ‘Jij moet thuis eerst een kop thee drinken, want papa zegt dat dat het lekkerste is na een boswandeling. Doei!’
Haar levenslust en gekwetter overtroffen de schoonheid van de stilte.
*►LinkedIn-post Daniëlle Braun