
nr. 72, 22-7-2025
In de afgelopen jaren heb ik meegeschreven aan handreikingen en vergelijkbare documenten.
Ik vind het mooi om met anderen in multidisciplinair verband onderwerpen uit te diepen en te vertalen naar een leesbaar en toepasbaar document voor het werkveld. Alle teamleden dragen vanuit hun eigen kennis bij aan het product. In de praktijk werkt dat prima: ieder heeft zijn inbreng en die wordt gewaardeerd. Ik leer van andere disciplines en zij hopelijk van mij.
Tijdens zo’n proces leer ik mensen beter kennen. Waar het contact aanvankelijk zakelijk is, ontstaat er na verloop van tijd ruimte voor persoonlijke verhalen. Kwinkslagen over iemands stokpaardje maken het proces een stuk leuker.
Toch kent elk traject zijn ook hobbels: hoe verder? hoort dit er wel of niet in? is hier in algemene zin iets over te zeggen? het wordt zo wel érg lang(dradig).
Een handreiking voor de praktijk klinkt handig en is het ook. Maar ja, de praktijk is weerbarstig. Wat in de ene organisatie door een bepaalde functionaris wordt gedaan, is elders nét anders georganiseerd. Ook functienamen verschillen nogal eens. Maak daar maar eens eenheidsworst van.
Een teamlid verzuchtte na zo’n constatering: ‘Zet er maar bij: zoek lekker zelf uit wie dat moet doen en hoe hij moet heten.’ De rest kon zich er prima in vinden, maar we gingen toch serieus verder om de tekst te verduidelijken. In een andere sessie, na een intensieve discussie, stelde ik voor om de handreiking de titel ‘Het kan álle kanten op’ te geven. Die suggestie werd met hartelijk gelach verworpen.
Juist door zulke humor blijft het leuk om de praktijk te voorzien van nuttige handreikingen. Niet als zwaar dogmatisch harnas, maar als richtinggevend kompas voor betere ondersteuning. Een handreiking moet behulpzaam zijn zonder te dwingen: ‘een echte handreiking wil niet leiden, maar is tevreden als hij de weg kan wijzen.’*
*vrij naar ►H. Miller